Geschiedenis van de Congregatie
van de Dochters van Jezus’ Heilig Hart
Marie Deluil-Martiny, Stichteres van de Congregatie van de Dochters van Jezus’ Heilig hart, werd geboren op 28 mei 1841 te Marseille. Zij was de dochter van een diep gelovig advocaat en was langs moeders zijde verwant met de Eerbiedwaardige Anne Madeleine Remuzat. Zoals haar achtergroottante moest zij de vurigheid van een apostel hebben om het Hart van Jezus te doen kennen.
Bij het naderen van haar eerste communie ziet men haar ontroerd worden bij de gedachte van de Kelk die dag en nacht wordt opgeheven naar God voor het heil van de wereld.
De studies die zij deed, eerst in het klooster van de Visitatie te Marseille, daarna in de kostschool “het Heilig Hart” van de Ferandière te Lyon, waren een opeenvolging van successen, dank zij haar aanleg om te leren en dank zij haar uitstekend verstand.
Op 17-jarige leeftijd noteert zij na een retraite in haar dagboek: “... voor mij, o mijn God, Uw Hart, Uw Hart...”. Zij begeeft zich naar Ars om de heilige pastoor te raadplegen over haar roeping.
Marie Deluil-Martiny heeft geen ander toekomstplannen dan te werken aan de grootste eer van God. Haar hart is geheel van Jezus “de Vriend van de maagdelijkheid”. Maar haar roeping rijpt en groeit door de smartelijke weg van het lijden, van innerlijke pijnen en strijd, die zij alleen draagt tot aan het uur waarop de Heer haar Pater Calage, S.J. doet ontmoeten, die op zijn beurt al lang was voorbereid op de verwezenlijking van een providentieel plan.
Tegenslagen sloegen haar familie. Zij verloor opeenvolgend haar broer en haar drie zussen, en blijft alleen thuis bij haar zieke ouders die ook beproefd worden door tegenslag. Voor Marie zijn deze gebeurtenissen het teken dat Jezus haar offerande heeft aanvaard: “Mijn kruisen zijn het gevolg van de daad van offerande die Onze Heer mij heeft laten doen…” Bijgevolg begrijpt zij dat zij ontvankelijk moet zijn en Gods uur moet afwachten.
De Vennootschap van de Erewacht van de Visitatie te Bourg vindt in de 23-jarige Marie Deluil-Martiny haar eerste vurige ijveraarster, die haar opmerkelijk helpt verspreiden. Het is een belangrijke etappe in het leven van Maria. Don Comboni voorspelt het haar: zij heeft een zending te vervullen, en door de Erewacht is zij deze al begonnen. Gods plan tekent zich stilaan af: “…het zou de aanbidding van de Allerheiligste Drievuldigheid zijn door het Eucharistische Hart van Jezus, de enige en echte Aanbidder…, het zouden zielen zijn die zich meester maken van de aanbiddingen van dit Heilig Hart…” “…Onze Heer”, zegt ze, “lijkt een altaar in mijn ziel gemaakt te hebben, waar Hij zich voortdurend aan de Vader opoffert… Hij wil dat zij zich in zijn tegenwoordigheid houdt… in een onophoudelijke aanbidding… en zich verenigt met de goddelijke daden die Hij verricht…”
Haar diep geloof en haar grote liefde voor Jezus-Eucharistie doen haar heel de grootheid van het priesterschap ontdekken. Vandaar haar verlangen naar offer om “genaden van vervolmaking” te bekomen voor de priesters “die hen doen schitteren als diamanten zonder vlek op het bewonderenswaardige kleed van de Kerk…”. De eucharistische heiligschennissen en de vervolging van de religieuze ordes vinden in haar hart ook een droevige weerslag wat een steeds sterkere en duidelijkere oproep wordt.
In november 1868, op de eerste vrijdag van de maand, geeft zij zich onherroepelijk aan God en tekent haar akte van toewijding: Maria van Jezus, Dochter van het Hart van Jezus.
Op 27 februari 1869, bijgestaan door haar geestelijke leider, pater Calage s.j., stelt zij het plan op van de toekomstige Orde.
De stichting van haar Instituut zal de verlangens verwezenlijken uitgedrukt door Onze Heer aan de Heilige Margareta Maria.
Het model van dit eucharistisch en eerherstellend leven zal de Maagd Maria zijn na de glorievolle Hemelvaart. Op de Calvarieberg offerde Maria en verenigde zich met het offer van haar Zoon. Na de verrijzenis offerde zij hetzelfde offer door de handen van de heilige Johannes en hielp zij de Kerk en de apostelen door haar gebeden en door een stille en verborgen opoffering.
In de maand september 1872 begeeft zij zich naar België om er kardinaal Deschamps te ontmoeten die het werk van Eerherstel wenst en ondersteunt. “Ik heb zopas de Teresia van onze eeuw ontmoet”, zei hij na dit eerste onderhoud.
België ontvangt de eerste wieg van het nieuwe Werk, want Maria staat in contact met Monseigneur Van den Berghe die de Stichteres veel zal helpen. Met de goedkeuring van Kardinaal Dechamps sticht zij het eerste huis van het Instituut van de Dochters van Jezus’ Heilig Hart te Berchem, Antwerpen op 20 juni 1873, feest van het Heilig Hart en de dienst van aanbidding begint.
Op 17 augustus 1878 verlaten de Dochters van Jezus’ Heilig Hart de eerste kapel om hun dienst van aanbidding te beginnen in de Basiliek, toegewijd aan het Hart van Jezus, te Antwerpen in België. Enkele dagen later, op 22 augustus, ontvangt Maria van Jezus, met haar eerste metgezellen, de toewijding die haar voor altijd bindt aan het geslachtofferde Lam door haar eeuwige geloften uit te spreken: “Ik heb alles gegeven, Hij alleen blijft me over…”.
Zij schreef naar Leo XIII en vroeg hem haar te offeren als slachtoffer tot zijn intenties.
Op 24 juni 1879 opent de stichteres het derde klooster van de congregatie in “La Servianne”, het familiehuis nabij Marseille.
Op 27 februari 1884, in de tuin van het klooster van “La Servianne”, werd Moeder Maria van Jezus vermoord door de tuinier van het klooster, uit afkeer voor het geloof. “Ik vergeef hem, voor het Werk, voor het Werk…” waren haar laatste woorden.
Haar offer bevruchtte de jonge gemeenschap die, zichtbaar beschermd door de Voorzienigheid, zich verspreidde over verschillende landen van Europa.
Door haar dood verwezenlijkt zij ten volle het programma dat zij aangegeven heeft aan haar Dochters dat al haar strevingen samenvat: “Elk van onze hartenkloppen zou een daad van offerande van Jezus moeten zijn, en van vereniging met zijn eeuwig offer voor de glorie van de Vader”.
Haar leven was “verborgen met Christus” en “Christus was haar leven”;
De Kerk herkend de heldhaftigheid van de deugden van Moeder Maria van Jezus op 23 oktober 1987, en op 22 oktober 1989 heeft paus Johannes-Paulus II haar zalig verklaard.
Tijdens de opgraving van de resten van de overledene werd haar lichaam “bewaard” teruggevonden. Het vereerde stoffelijk overschot van de Gelukzalige Maria van Jezus rust in een glazen schrijn in de Heilig-Hart Basiliek te Berchem.
De Gelukzalige Moeder Maria van Jezus Deluil-Martiny (1841-1884)
|
Paus Johannes-Paulus (aan de pelgims - 23/10/1989):
"De figuur van Maria van Jezus verdient verering en ik wens dat jullie de boodschap van haar geestelijke nota's en van de stichting van haar Instituut overwegen. De verbondenheid van Maria van Jezus met de Eucharistie is een waar voorbeeld; zij heeft het offer dat Christus van Zichzelf doet aan de Vader voor het heil van de wereld ten diepste begrepen". |
2007 Copyright by Benny admin@dochtersheilighart.net